|
| geloven
|
|
Titel: Het Christelijk Geloof
Het Authentieke Geloof zoals de Bijbel het ons leert
Geloof
|
|  Hereniging bij de Vader | |
|
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u : wie in Mij gelooft, zal ook zelf de werken doen die Ik doe. Ja, grotere dan die zal hij doen, omdat Ik naar de Vader ga. En wat gij ook zult vragen in mijn Naam, Ik zal het doen, opdat de Vader moge verheerlijkt worden in de Zoon. (Johannes 14, 12-13)
|
|
Als iemand naar Mij toekomt, die zijn vader en moeder zijn vrouw en kinderen, zijn broers en zusters, ja zelfs zijn eigen leven niet haat, kan hij mijn leerling niet zijn.
Luc 14, 26
|
|
|  De komst van het Rijk Gods | |
|
Toen Hem door de Farizeeën de vraag werd gesteld, wanneer het Rijk Gods zou komen, gaf Hij hun ten antwoord : ' De komst van het Rijk Gods kunt ge niet waarnemen. Men kan niet zeggen : Kijk, hier is het, of daar is het. Want het Rijk Gods is midden onder u.'
|
|  Ze zijn zo braaf mijnheer ! | |
|
Op weg naar het station lopen vóór mij in de straat drie marokaanse jongens. Ik stap iets vlugger dan zij en eenmaal op hun hoogte gekomen spuwt één van hen in mijn richting, niet eenmaal, maar vijf maal.
|
|  Hebben en niet hebben | |
|
Aan wie heeft, zal gegeven worden en wel in overvloed.
Wie niet heeft, hem zal nog ontnomen worden, zelfs wat hij heeft.
(matteüs 13,12)
|
|
Allah houdt niet van Islamieten
|
|
|  Jezus bidt voor zichzelf | |
|
Gij, Vader, verheerlijk Mij thans bij Uzelf en geef Mij de heerlijkheid die Ik bij U had eer de wereld bestond.
|
|